Indicatiestelling speciaal onderwijs of leerlinggebonden financiering
Vanaf de invoering van de Rugzak in het basis- en voortgezet onderwijs is er veel te doen geweest over indicatiestelling. Ouders krijgen hierbij te maken met de plicht om allerlei (onderzoeks)gegevens aan te leveren aan de Commissie voor Indicatiestelling (CvI).
De procedure
Ouders die denken dat hun kind in aanmerking komt voor indicatie voor het speciaal onderwijs of een plek in het regulier onderwijs met een rugzak, kunnen aankloppen bij de CvI van het cluster waar hun kind in past. Deze commissie beoordeelt aan de hand van landelijk geldende criteria of het kind in aanmerking komt voor een bepaald schooltype of een bepaald cluster. Voor de beslissing valt, wordt serieus gekeken naar de problemen van de leerling. De CvI vraagt de ouders om informatie over de ernst van de stoornis(sen) of beperking, de belemmering voor het onderwijs en naar de mogelijkheden van de reguliere zorg, afkomstig van een zorginstelling.
De gegevens worden bijeengebracht in een dossier dat de CvI nodig heeft bij de aanmelding van de leerling. Aanmelding wordt pas in behandeling genomen als de ouders een ingevuld aanmeldingsformulier en een compleet dossier aan de CvI hebben verstuurd. De CvI moet vervolgens de conclusie trekken dat aard en de ernst van de beperking in overeenstemming zijn met de criteria. Dan krijgt de leerling een beschikking.
Er zijn uitzonderingsgevallen waarin de CvI geen beschikking afgeeft of waarin de CvI een leerling toelaatbaar verklaart terwijl hij of zij niet aan de criteria voldoet. Dit laatste gebeurt bijvoorbeeld bij complexe stoornissen of bij een combinatie van stoornissen, die ieder afzonderlijk als stoornis niet onder de criteria vallen. Wel moet er sprake zijn van een noodzaak tot speciale onderwijszorg. In dat geval wordt gesproken over een ‘beredeneerde afwijking’.
Geldigheid indicatie
De indicatie heeft een beperkte geldigheidsduur. Voor de meeste leerlingen moet na drie jaar opnieuw worden bekeken of zij nog voldoen aan de indicatiecriteria. Bij zeer moeilijk lerende, dove en meervoudig gehandicapte leerlingen gebeurt dit na vier jaar. Bij zeer moeilijk lerende kinderen met het syndroom van Down is herindicatie niet nodig.
De procedure voor herindicatie is gelijk aan die voor indicatie. Er wordt uitsluitend opnieuw onderzoek gedaan naar de ernst en de aard van de stoornis als zich daarin nieuwe ontwikkelingen hebben aangediend. Indien er sprake is van een zogenoemde ‘stabiele stoornis’, kan gebruikgemaakt worden van de bevindingen uit de eerste indicatie, aangevuld met een korte beschrijving van de Commissie van Begeleiding van de school die de leerling bezoekt of die ambulante begeleiding verzorgt.
Bezwaar
De CvI stuurt de ouders een zogeheten beschikkingsbrief zodra een besluit is gevallen. Ouders die zich niet kunnen vinden in het (her)indicatiebesluit, kunnen hiertegen bezwaar aantekenen bij de CvI. Zij hebben hiervoor zes weken de tijd. De CvI zal het bezwaar vervolgens doorsturen naar de Bezwaar- en Adviescommissie (BAC) die advies uitbrengt aan de CvI. De CvI zal op basis van dit advies het eerder genomen besluit heroverwegen.