Beschrijving van het Voortgezet Onderwijs
Een leerling kan na de basisschool naar het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs), de havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs) of het vwo (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs). Het vmbo is in de plaats gekomen van vbo (voorbereidend beroepsonderwijs) en mavo.
Tot schooljaar 2005/2006 was er sprake van een voor alle leerlingen uniform basisvorming-programma met vijftien verplichte vakken. Tegenwoordig heeft OCW globale kerndoelen vastgesteld. Er zijn 58 kerndoelen die voor alle leerlingen gelden. Daarnaast zijn er aanvullende doelen met betrekking tot moderne vreemde talen die voor de meeste leerlingen gelden.
Leraren kunnen de kerndoelen op elk niveau en voor elke leerstijl uitwerken. Praktisch of theoretisch, abstract of concreet, op het niveau van de basisberoepsgerichte leerweg of op dat van het vwo, disciplinair of vakoverstijgend. Een school mag daarbij verschillende modellen tegelijkertijd hanteren, dus onderwijs in de vorm van zowel vakken, leergebieden als projecten. Over de voor de school passende werkvorm hebben ouders, leerlingen en personeel via medezeggenschap inspraak.
Tenminste tweederde van het onderwijs in de eerste twee jaar moet worden besteed aan de kerndoelen. Een derde van de tijd is over voor maatwerk en andere eigen keuzes. Havo-leerlingen en vwoíers volgen verplicht een tweede en derde moderne vreemde taal, de meeste vmbo-ers tenminste een tweede taal. Het vmbo kan meer praktische en beroepsgerichte programma's aanbieden. Met bijvoorbeeld extra aandacht voor Nederlands of wiskunde, kunstvakken, lichamelijke opvoeding of uitdagende programma's voor hoogbegaafden. Het gymnasium moet verplicht onderwijs verzorgen in klassieke talen.
Een vmbo-leerling kiest na de basisvorming voor een leerweg en een sector (een vakkenpakket). Binnen sommige sectoren bestaan weer afdelingen. In het totaal zijn er 14 afdelingen, maar niet elke school heeft ze allemaal. Kijk voor meer informatie op
oudersvo.kennisnet.nl .
Er bestaan geen scholen meer voor moeilijk lerende kinderen (mlk) of voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom). De leerlingen die extra zorg nodig hebben, krijgen dat op hun eigen school. Het heet dan leerwegondersteunend onderwijs.
Voor de leerlingen die het ook met die extra hulp niet redden, is er praktijkonderwijs.
Op de havo en het vwo krijgt de leerling na de basisvorming te maken met de tweede fase. Binnen het studiehuis moet de leerling zelfstandiger werken en studeren en de rol van de leraar is nog meer begeleidend. Het studiehuis heeft betrekking op de vormgeving en organisatie van de nieuwe benadering van leren. In de tweede fase kiest de leerling een profiel. Een profiel bestaat uit een samenhangend onderwijsprogramma dat de leerling beter voorbereidt op een opleiding aan een hogeschool of universiteit. Leerlingen kunnen kiezen uit vier profielen die corresponderen met de grote, globale sectoren waarin we werk en opleiding in de huidige samenleving verdelen. De profielen zijn: Natuur en Techniek, Natuur en Gezondheid, Cutuur en Maatschappij en Economie en Maatschappij. Een profiel bestaat uit vakken die voor alle leerlingen hetzelfde zijn, een deel dat speciaal voor dit profiel is en uit een vrij in te vullen deel.
Kijk voor meer informatie ook op
http://oudersvo.kennisnet.nl