De onderbouw in het voortgezet onderwijs
Alle leerlingen krijgen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs grotendeels dezelfde vakken. Daarna moeten ze kiezen voor een studie- of een beroepsrichting. Leerlingen kiezen dus -in tegenstelling tot vroeger- niet direct bij binnenkomst in het voortgezet onderwijs voor vmbo, havo of vwo. De school bekijkt bij binnenkomst wel naar de mogelijkheden van iedere leerling.
Ook krijgen de leerlingen een zogenoemde ìoriÎntatie op studie of beroepî. Daarin leren ze meer over allerlei beroepen en de opleidingen die daarvoor nodig zijn. Deze oriÎntatie vormt een vast onderdeel van de onderbouw.
Aan het eind van het tweede leerjaar brengen de scholen een advies uit.
Daarin staat meestal welke algemene richting de leerling het beste kan volgen:vmbo, havo of vwo. Het is belangrijk dat ouders en school samen met de leerling kijken naar haar of zijn aanleg, ambities, capaciteiten en kansen om tot een goede keuze te komen.
Vmbo-leerlingen moeten aan het eind van tweede weten wat de meest geschikte afdeling voor hen is. Havo en vwo leerlingen moeten aan het eind van het derde leerjaar kiezen voor ÈÈn van de profielen, of hun opleiding voortzetten in een vakopleiding of middenkaderopleiding van het middelbaar beroepsonderwijs.
Het vakkenpakket voor het eindexamen bepaalt voor een heel groot deel welke mogelijkheden er zijn om verder te studeren. Het is daarom van belang dat ouders en leerlingen zich goed informeren over de eisen die vervolgopleidingen stellen aan het eindexamenpakket. De school kan de ouders hierbij gericht adviseren en informeren over alle voors en tegens van de verschillende mogelijkheden.