Beschrijving praktijkonderwijs
Het praktijkonderwijs is een vorm speciaal voortgezet onderwijs. In het praktijkonderwijs worden kinderen met leermoeilijkheden voorbereid op het uitoefenen van eenvoudige functies op de arbeidsmarkt. Het praktijkonderwijs is volgens de wet voor alle leerlingen dan ook eindonderwijs. Dat wil zeggen dat er na het praktijkonderwijs geen vervolgopleiding wordt gevolgd. In de praktijk merken sommige scholen echter dat er op deelbekwaamheden van een beperkt aantal leerlingen nog vooruitgang te boeken is. In samenwerking met een regionaal onderwijscentrum (ROC) lukt het hun om deze leerlingen het opleidingsniveau 1 van het MBO te laten afronden.
Het praktijkonderwijs gaat uit van de mogelijkheden van de leerlingen. Er wordt daarbij veel aandacht besteed aan de voorbereiding op zelfstandig wonen, werken en een zinvolle vrijetijdsbesteding. De scholen voor praktijkonderwijs begeleiden de leerlingen naar een zo zelfstandig mogelijk functioneren in de samenleving.
Om kennis te maken met werkplekken gaan de leerlingen op stage. Leerlingen afkomstig van het praktijkonderwijs kunnen onder meer in de volgende sectoren eenvoudige werkzaamheden verrichten: metaalbewerking, houtbewerking, verzorgende sector, bouw, groenvoorziening, keukenwerkzaamheden, dierenverzorging, winkelwerk, magazijn, fabriekswerk/productie, tuinbouw.
Een leerling kan naar het praktijkonderwijs als
- er een leerachterstand van minimaal drie jaar is in twee of meer vakken (inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen). Het mag niet gaan om een combinatie van technisch lezen en spellen;
- er een intelligentie (IQ) tussen 60 en 80 is.
In het advies van de basisschool of de speciale basisschool wordt aangegeven of een leerling in het voortgezet onderwijs extra zorg nodig heeft. Dit staat beschreven in een verslag (onderwijskundig rapport) dat naar de school voor voortgezet onderwijs wordt gestuurd. Ook de mening van ouders over hun kind en het advies wordt hieraan toegevoegd. De VO-school stuurt het verslag naar een regionale verwijzingscommissie (RVC). De RVC bepaalt of uw kind toelaatbaar is voor het praktijkonderwijs. Vervolgens melden ouders hun kind aan op een school voor praktijkonderwijs. Als de RVC uw kind niet geschikt vindt voor het praktijkonderwijs zal het in de regel in aanmerking komen voor het leerwegondersteunend onderwijs (LWOO). Het LWOO is geen aparte richting, maar een ondersteunende afdeling binnen het voortgezet onderwijs voor leerlingen met leerproblemen. Die krijgen dan extra begeleiding. Hoe dit gebeurt, verschilt van school tot school. Raadpleeg daarvoor de schoolgidsen.