Mijn zoon heeft de CITO-toets gedaan en zijn score is 517. De VMBO-school heeft een givo-test afgenomen, met een score van 87. Mijn zoon had voor het vmbo 92 nodig. Hoe is de gang van zaken nu?
Normaal gesproken is de procedure als volgt. Nadat uw zoon of dochter is aangemeld kan de school voor voortgezet onderwijs een onderzoek doen naar de leervermogens (een intelligentieonderzoek) van uw kind; in dit geval de givo-test. Deze gegevens worden eventueel aangevuld met een onderzoek naar het persoonlijk functioneren van uw zoon of dochter. Daarnaast bestudeert de middelbare school het onderwijskundig rapport van uw kind. Dit is een rapport waarin de basisschool de leervorderingen van uw kind heeft gebundeld. Elke ouder heeft recht op een afschrift van het onderwijskundig rapport van zijn of haar eigen kind. Tenslotte vraagt de vmbo-school uw mening over de onderzoeksgegevens.
Als blijkt dat de test, zoals in uw geval, te laag uitvalt voor het reguliere VMBO, dan doet de school in overleg met u een aanvraag bij een regionale verwijzingscommissie (RVC) voor leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs. De RVC doet uitspraak over het feit of uw kind in aanmerking komt voor leerwegondersteunend onderwijs, maar de beslissing of het kind deze ook echt zal ontvangen is een schoolbeslissing. De middelbare school bepaalt dus zelf of een leerling extra ondersteuning bij één van de vier leerwegen (Basisberoepsgerichte leerweg, kaderberoepsgerichte leerweg, gemengde en theoretische leerweg) krijgt of niet. Daar laat de regionale verwijzingscommissie zich niet over uit. Wel beslist de commissie op basis van de aanmelding of de school extra geld ontvangt voor de extra hulp voor uw kind. Toelating tot praktijkonderwijs is een ander verhaal. De regionale verwijzingscommissie bepaalt of een leerling toelaatbaar is tot praktijkonderwijs; het bevoegd gezag (schoolbestuur) beslist over de toelating.