Kenmerken en (mogelijke) gevolgen van dyslexie voor leerlingen in het Voortgezet Onderwijs
Volgens de orthopedagogen is dyscalculie een (erfelijke) leerstoornis die ontstaat als gevolg van stoornissen in de cognitieve ontwikkeling van een kind. Cognitief is het kunnen omgaan met de verwerking van informatie en kennis. Wil men van dyscalculie spreken dan moet er sprake zijn van een ruime achterstand in rekenen in vergelijking met leeftijdsgenoten. Daarnaast moeten er geen andere stoornissen en geen gestoorde ruimtelijke ontwikkeling aanwezig zijn. Men spreekt van dyscalculie als leerlingen blijvende en opvallende moeilijkheden hebben met rekenvaardigheden en wiskunde, dit ondanks een normale intelligentie. Deze leerlingen kunnen moeilijkheden hebben met het begrijpen van wiskunde, maar het kan ook zo zijn dat ze wel een goed begrip hebben en toch opvallend veel rekenfouten maken. Het blijft een probleem om basisvaardigheden te hanteren: het leren van de betekenis van getallen en hoeveelheden, het leren van rekenprocedures en het verwerven van ruimtelijk inzicht
Problemen met rekenen kunnen veroorzaakt worden:
als een kind over zwakke intellectuele mogelijkheden beschikt, wat zichtbaar wordt bij alle leergebieden,
als er sprake is van een leesprobleem, waardoor leessommen (redactiesommen) extra inspanning kosten,
als er problemen zijn met de rekenmethode en soms ook met de manier van lesgeven.
Als de problemen met rekenen hier niet aan liggen, dan moet er gekeken worden hoe het kind zich de basisvaardigheden eigen maakt:
Herkent het kind de getalsymbolen? Is er een directe koppeling tussen het cijfer 5 en het daarbij behorende aantal? En ook andersom: roept het cijfer 5 ook de hoeveelheid op die erbij hoort? Hoe zit het met het begrip van tekens, zoals +,- en =?
Geheugenproblemen kunnen ook nogal eens een rol spelen. Al rekenend raakt een kind de informatie uit het werkgeheugen kwijt (korte termijn geheugen).
De basisvaardigheden van het optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen worden niet geautomatiseerd.
Ook de manier van aanpak die het kind hanteert in samenhang met het oplossen kan een bron van verwarring zijn (strategie). Kinderen met rekenproblemen blijken vaak baat te hebben bij de ouderwetse, gestructureerde rekenmethoden (waarbij bepaalde strategieÎn (trucjes)worden aangeleerd) in plaats van de moderne inzichtelijke methoden.
Vaak is de instructie niet duidelijk en is verlengde instructie nodig. Gebeurt dat niet dan komen ze niet aan het werk of ze beginnen willekeurig midden op een pagina met een som van een bepaalde taak.
Pas als deze problemen bij een goede begeleiding, die minimaal 6 maanden heeft geduurd, hardnekkig blijken te zijn, kan er van kenmerken van dyscalculie gesproken worden.
Naar rekenstoornissen is betrekkelijk weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan, zeker als dat vergeleken wordt met leesstoornsisen. De theoretische kennis over dyslexie is veel diepgaander en uitgebreider dan die over dyscalculie.
Wil men een kind met een rekenstoornis goed kunnen behandelen, dan zal er veel individuele instructietijd en extra tijd voor het inslijpen en oefenen vrijgemaakt moeten worden. Als een kind in de klas een aangepast programma volgt, zal dit heel grondig aangestuurd moeten worden, anders zal de achterstand oplopen. Daarnaast moet er aan gewerkt worden dat het kind weer vertrouwen krijgt in eigen capaciteiten.
Voor meer informatie: Stichting Balans, landelijke vereniging voor ontwikkelings-, gedrags- en leerproblemen, (030 )225 50 50 , www.balansdigitaal.nl