Vrijstellingsmogelijkheden voor leerlingen met dyslexie en dyscalculie
Vrijstellingsmogelijkheden voor leerlingen met een beperking, zoals dyslexie en dyscalculie
Voor leerlingen met een beperking, zoals dyslexie en dyscalculie bestaat in het voortgezet onderwijs een aantal mogelijkheden en voorschriften voor vrijstellingen.
De wet- en regelgeving van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) kent voorschriften voor alle schoolsoorten en daarnaast regelingen voor specifieke schoolsoorten. De regelingen voor VMBO, HAVO en VWO verschillen. Voor de hogere schoolsoorten zijn de eisen successievelijk zwaarder dan voor de lagere. Er is daarmee geen sprake van rechtsongelijkheid: schoolsoorten onderscheiden zich door de verschillende eisen die aan leerlingen worden gesteld.
ONDERBOUW
Algemeen
Met ingang van 1 augustus 2001 zijn de bepalingen voor de basisvorming veranderd (Wet van 4 juli 2001, Stb. 340). Scholen kunnen vanaf de genoemde datum een keuze maken uit de kerndoelen. Voor de meeste vreemde talen zou voor een dyslectische leerling bijvoorbeeld het onderdeel leesvaardigheid kunnen vervallen (nieuw artikel 11g, eerste lid).
De vrijstelling op grond van artikel 11e, eerste lid, is gehandhaafd. Bovendien is door het nieuwe artikel 11g, vierde lid, voor de leerlingen die naar verwachting de basisberoepsgerichte leerweg zullen volgen en voor leerlingen in het leerwegondersteunend onderwijs de vrijstellingsregeling in feite verruimd. De wijziging in de regelgeving zorgt ervoor dat scholen minder vaak een beroep hoeven doen op de vrijstellingsregeling. Voor de leerlingen in kwestie geldt namelijk geen minimale urenverplichting per vak. Daardoor kan een school zelf leerlingen vrijstellingen verlenen voor één of meer (delen van) vakken. De school bepaalt zelf volgens welke procedure dit gebeurt, maar blijft verplicht ook deze leerlingen over de eerste twee leerjaren tenminste 1920 lesuren basisvorming te bieden.
Klas 1, 2, 3 HAVO/VWO
Voor de onderbouw HAVO/VWO is een specifieke bepaling opgenomen in artikel 21 van het Inrichtingsbesluit Wet Voortgezet Onderwijs (WVO). Hierin is bepaald dat in de eerste drie leerjaren van HAVO en VWO zowel Engels, Frans als Duits worden gevolgd. Die bepaling kent géén vrijstellingsmogelijkheid. De meer specifieke bepaling voor de onderbouw VWO/HAVO heeft, overeenkomstig een algemene regel bij wet- en regelgeving, voorrang boven de algemene bepaling voor de basisvorming. De inhoudelijke achtergrond hiervan is, dat de basisvormingsbepalingen gelden voor alle schoolsoorten. Zij geven het minimum aan dat alle leerlingen in principe moeten volgen. Is zelfs dat minimum niet haalbaar, dan is de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 11e, eerste lid, aan de orde. Maar leerlingen van VWO/HAVO moeten méér doen dan het minimum dat voor alle leerlingen geldt: laat staan dat zij van een deel van dat minimum zouden kunnen worden vrijgesteld.
VMBO
Voor de basisvorming in het VMBO is het wettelijk niet verplicht om, naast Engels, Frans én Duits te volgen. Veel scholen voor VMBO-theoretische leerweg (VMBO-tl) bepalen wel zelf dat beide talen gevolgd worden. Ze kunnen dus ook zelf bepalen of van één van beide vrijstelling wordt gegeven: want wettelijk is het niet verplicht. Daarnaast is het ook mogelijk vrijstelling te verlenen van de wettelijk verplichte taal: Frans of Duits (artikel 11e WVO).
BOVENBOUW
Bovenbouw HAVO/VWO (Tweede Fase)
Sinds 1 augustus 2002 mogen scholen zelf beslissen welke taalvaardigheden in Frans 1 en Duits 1 aan de orde komen.
De voorschriften voor de tweede fase HAVO/VWO maken een vrijstelling voor wiskunde niet mogelijk. Als een leerling doorstroomt naar de tweede fase van HAVO of VWO krijgt hij/zij te maken met vier profielen. Het vak wiskunde is in elk profiel verplicht. Hiervoor is bewust gekozen aangezien HAVO en VWO opleiden voor doorstroom naar hoger onderwijs. De wet maakt geen uitzondering mogelijk. Elk profiel heeft echter wel een eigen vorm van wiskunde waardoor de zwaarte en studielast van wiskunde per profiel verschilt. Het profiel cultuur en maatschappij biedt hierbij voor leerlingen met dyscalculie de meeste kansen. Er bestaat geen mogelijkheid om de correctienormen aan te passen.
VMBO-tl bovenbouw en vrijstellingen
Leerlingen die in de basisvorming vrijstelling van de tweede moderne taal Frans of Duits hebben gehad op grond van artikel 11e kunnen hiervoor tevens vrijstelling krijgen voor de periode waarin zij onderwijs in de sector economie van een van de leerwegen volgen. In plaats van het onderwijs waarvoor vrijstelling is verleend, moet echter wel vervangend onderwijs gegeven worden in een van de vakken Arabische, Turkse, Spaanse taal of maatschappijleer II, geschiedenis en staatsinrichting of aardrijkskunde. Deze goedkeuring kan slechts aan leerlingen worden verleend die:
- in de periode van de basisvorming onderwijs volgden in de taal van het land van oorsprong;
- voorheen buiten Nederland vergelijkbaar onderwijs hebben gevolgd en geen of te weinig onderwijs in het betreffende vak hebben genoten en vanuit een lager leerjaar voor de eerste maal toegelaten zijn tot een school en een leerjaar hoger worden geplaatst;
- onderwijs gaan volgen in de basisberoepsgerichte leerweg en die in het schooljaar voorafgaand aan het betrokken schooljaar leerwegondersteunend onderwijs volgden.
- In het VMBO is in de sector Zorg en Welzijn en Economie het vak wiskunde een keuzevak en dus niet verplicht. In de overige sectoren is dit wel het geval.
- Op basis van artikel 26 n, tweede lid kan een zogenaamde cumi-leerling (culturele minderheden en anderstaligen) in de sector economie naast vrijstelling voor de tweede moderne vreemde taal ook voor wiskunde worden vrijgesteld. Een leerling zonder vrijstellingen kan namelijk in de sector economie het vak wiskunde laten vallen en kiezen voor Frans of Duits. Dit is voor een cumi-leerling met vrijstelling voor deze vak(ken) niet mogelijk. Ook hier dient ter vervanging één van de eerder genoemde alternatieven te worden gekozen (Arabische, Turkse, Spaanse taal of maatschappijleer II, geschiedenis en staatsinrichting of aardrijkskunde).
Doorstroming van 4 VMBO-tl/3 HAVO naar bovenbouw HAVO/VWO
Artikel 26e, vierde lid, onder c, van het Inrichtingsbesluit WVO behelst een specifieke vrijstellingsmogelijkheid van een taal (ter beoordeling van het bevoegd gezag) voor een bepaalde groep van leerlingen die doorstromen vanuit VMBO-tl. Het gaat hier om leerlingen die ook in het VMBO-tl niet een tweede moderne vreemde taal hebben gevolgd. Dat laatste kan allerlei oorzaken hebben gehad (niet alleen dyslexie), maar in elk geval heeft er in het VMBO-tl-traject een toetsing plaatsgehad volgens de normen/procedures van artikel 11e, eerste lid van de VWO (vrijstelling vakken basisvorming). De leerling heeft dan iets gemist dat voor de doorstroming naar HAVO eigenlijk nodig is, maar waarvoor het onredelijk is om alsnog te eisen dat aan die voorwaarde wordt voldaan.
Bronnen:
Wet op het Voortgezet onderwijs (WVO):
- Artikel 11 a (vakken en kerndoelen basisvorming);
- Artikel 11 e (vrijstellingen);
- Artikel 11 g (tijdelijke afwijking bepalingen basisvorming: keuze bij kerndoelen; minimum urenverplichting; uitbreiding vrijstellingen).
Inrichtingsbesluit WVO:
- Artikel 21 (vakken in de periode van de eerste drie leerjaren VWO en HAVO;
- Artikel 26 e (vrijstellingen in periode voorbereidend hoger onderwijs VWO en HAVO);
- Artikel 26n (vrijstellingen VMBO).
Kijk voor meer informatie over dyslexie bij www.balansdigitaal en bij www.woortblind.nl.